Kans berekenen: zo doe je het stap voor stap

Bas van Leeuwen

Een kans berekenen doe je door het aantal gunstige uitkomsten te delen door het totaal aantal mogelijke uitkomsten. Het resultaat is een getal tussen 0 en 1, of je drukt het uit als percentage. Dat klinkt eenvoudig, en dat is het ook zodra je de basisstappen kent.

De formule voor kans berekenen

De basisformule ziet er zo uit:

Kans = aantal gunstige uitkomsten / totaal aantal mogelijke uitkomsten

Stel je wilt weten hoe groot de kans is dat je een 6 gooit met een dobbelsteen. Er is maar één gunstige uitkomst (de 6) en er zijn zes mogelijke uitkomsten (1, 2, 3, 4, 5 of 6). De kans is dus 1/6, wat neerkomt op ongeveer 0,167 of 16,7%.

Een kans van 0 betekent dat iets onmogelijk is. Een kans van 1 (of 100%) betekent dat iets zeker gebeurt. Alles daartussenin is een kans die je kunt berekenen.

Stap voor stap een kans uitrekenen

Volg deze stappen om zelf een kans te berekenen:

  • Stap 1: Bepaal alle mogelijke uitkomsten. Dit noem je de kansruimte. Bij een dobbelsteen zijn dat er zes: 1, 2, 3, 4, 5 en 6.
  • Stap 2: Bepaal de gunstige uitkomsten. Dit zijn de uitkomsten waarvoor je de kans wilt weten. Wil je een even getal gooien? Dan zijn de gunstige uitkomsten 2, 4 en 6. Dat zijn er drie.
  • Stap 3: Deel gunstige uitkomsten door totale uitkomsten. 3 gedeeld door 6 = 0,5. De kans is dus 50%.
  • Stap 4: Druk de kans uit. Als breuk (3/6 of 1/2), als decimaal (0,5) of als percentage (50%). Alle drie zijn correct.

Voorbeelden om kans berekenen te oefenen

Een kaartspel met 52 kaarten biedt goede oefenmogelijkheden. Hoe groot is de kans dat je een harten trekt? Er zijn 13 hartenkaarten en 52 kaarten in totaal. De kans is 13/52 = 1/4 = 25%.

Of stel: je hebt een zak met 10 knikkers, waarvan 3 rood en 7 blauw. De kans op een rode knikker is 3/10 = 30%. De kans op een blauwe knikker is 7/10 = 70%. Tel je beide kansen op, dan kom je altijd uit op 100%. Dat is een handige manier om jezelf te controleren.

Kansen combineren: EN en OF

Wil je de kans berekenen dat twee dingen tegelijk of achter elkaar gebeuren, dan gebruik je de combinatieregels.

EN-regel (beide gebeurtenissen): Gooi je twee dobbelstenen en wil je weten hoe groot de kans is dat je twee keer een 6 gooit? Dan vermenigvuldig je de kansen: 1/6 × 1/6 = 1/36 (ongeveer 2,8%). Dit werkt alleen als de twee gebeurtenissen onafhankelijk van elkaar zijn, dus de ene uitkomst heeft geen invloed op de andere.

OF-regel (minstens een van beide): Wil je weten hoe groot de kans is dat je bij één worp een 1 of een 6 gooit? Dan tel je de kansen op: 1/6 + 1/6 = 2/6 = 1/3 (ongeveer 33%). Dit werkt als de gebeurtenissen elkaar uitsluiten, dus ze kunnen niet tegelijk voorkomen.

Kans als percentage uitdrukken

Een kans uitdrukken als percentage is voor veel mensen het duidelijkst. Vermenigvuldig de breuk of het decimaal gewoon met 100. Een kans van 1/4 wordt dan 25%. Een kans van 0,08 wordt 8%.

Let op: een hoge kans betekent niet dat iets zeker gebeurt. Een kans van 90% betekent dat het in 9 van de 10 gevallen goed gaat, maar ook dat het in 1 van de 10 gevallen misgaat. Kansen zeggen iets over de lange termijn, niet over één specifiek moment.

Veel gemaakte fouten bij kans berekenen

Een veelgemaakte fout is vergeten dat alle mogelijke uitkomsten even waarschijnlijk moeten zijn. Bij een eerlijke dobbelsteen klopt dat, maar in de praktijk is dat niet altijd zo. Gebruik de basisformule alleen als alle uitkomsten even groot zijn.

Een andere valkuil is de “gokkersfout”. Als je vijf keer achter elkaar kop gooit, voelt het alsof munt nu meer kans maakt. Maar de kans op munt blijft gewoon 50% bij elke volgende worp. De munt heeft geen geheugen.

Kansen worden ook weleens verward met odds (zoals bij sportweddenschappen). Een kans van 1/4 betekent dat iets in 1 van de 4 gevallen lukt. Als odds uitgedrukt is dat 1 op 3, want er zijn 1 gunstige en 3 ongunstige uitkomsten. Dat is een ander getal, dus let goed op welke notatie je gebruikt.

Met de basisformule (gunstige uitkomsten gedeeld door totale uitkomsten) en de combinatieregels voor EN en OF kom je al heel ver. Oefen met eenvoudige situaties zoals dobbelstenen en kaarten, en je begrijpt snel hoe kansen in de praktijk werken.